Wereldtop voor intellectuelen: verslag van de G8 van de Filosofie

Op 18 april 2014 spraken acht grote denkers over de belangrijkste problemen van deze tijd, tijdens de G8 van de Filosofie in de Beurs van Berlage. Noor Kuijpers doet verslag van haar indrukken tijdens deze bijzondere avond.

Het thema van de door Filosofie Magazine, omroep Human en Hivos georganiseerde G8 is ‘vooruitgang’. Zoals te zien is in een introductiefilmpje lijkt deze filosofische G8 een beetje op de echte G8 (concrete probleemstellingen en fundamentele begrippen worden ter discussie gesteld) maar is die tegelijkertijd volledig anders omdat het nu eens niet in eerste instantie gaat om daadkracht, maar juist om denkkracht. Acht belangrijke filosofen van deze tijd verzamelen zich om het te hebben over wat ‘vooruitgang’ eigenlijk is, en om te bespreken of die überhaupt nastrevenswaardig is. En om bij tijd en wijle een grap te maken.










Waarom de wereld niet bestaat
Gedurende het afgelopen jaar heeft iedereen kunnen stemmen op de belangrijkste denkers van deze tijd. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk is een van de uitverkorenen. En niet zomaar een van de acht: hij opent de G8. Gezeten op een troontje op het podium in de grootste zaal gaat hij in op de vraag: is er een toekomst voor religie?

Volgens Sloterdijk heeft religie een duidelijke functie zolang ze in dienst staat van het vormen van de gemeenschap. In de Westerse wereld heeft religie die functie al niet meer sinds de Verlichting. In onze tijd zijn het bijvoorbeeld de media of de literatuur die zorgen voor coherentie in de gemeenschap. Wanneer Sloterdijk even later spreekt over hebzucht, vertelt hij een grap over het voormalige Oost-Duitsland. Hij gaat zo: iemand komt een winkel binnen en vraagt waar de handschoenen liggen, waarop de winkelbediende antwoordt: dit is de afdeling geen beddengoed, de niet handschoenen vindt u op de vierde etage. Pas als de moderator de grap samenvat, lacht het publiek. Hebzucht, zo concludeert Sloterdijk, staat centraal in onze Westerse samenleving en vormt het grootste gevaar. Niet religie. Als religie ons niet bindt, moet dat iets anders zijn - Sloterdijk suggereert poëzie - maar nooit hebzucht, want dat doet alles uiteen vallen.

Even later wil ik in de Berlagezaal luisteren naar Markus Gabriel, Duitslands jongste filosofieprofessor ooit, die ingaat op de mogelijkheid van ideologiekritiek. Net als ik me aansluit bij de rij roept iemand dat het he-le-maal vol zit. Past nooit. Omdat ik voor Gabriel kom doe ik wat niet hoort: een beetje voordringen. Helemaal achterin heb ik het heel warm tussen de anderen maar alles is vergeten wanneer de sympathieke Gabriel begint te praten. Met heldere stem legt hij uit wat ideologie is (‘The naturalisation of the contingent’), en wat daarvan het probleem is (‘Alles wordt in een theorie van alles geperst - een allesomvattend wereldbeeld’). 'Zodra iets bestaat, is het onderdeel van een context', stelt Gabriel. Iets allesomvattends is een metafysische onmogelijkheid. De taak van de filosofie is om rationeel na te denken over zo’n wereldbeeld om daar vervolgens beargumenteerd kritiek op te leveren. Alsjeblieft, zegt Gabriel, in naam van de ratio, ga tegen die wereldbeelden in. Ze doen geen recht aan alles wat er in de wereld is.



Burgemeesters regeren
Mijn fotograaf is in de rij gaan staan voor een gesprek tussen socioloog Zygmunt Bauman, Damon Young en Marli Huijer over identiteit, maar ook die zaal zit binnen de kortste keren vol en het lukt me deze keer niet om binnen te glippen. Gelukkig spreekt politiek filosoof Benjamin Barber op hetzelfde moment in een andere zaal. De discussie gaat over zijn nieuwste boek: If Mayors Ruled the World. Hoe zou de wereld eruit zien als de immigratieproblematiek niet overgelaten werd aan de centrale overheid, maar als burgemeesters zich er meer in zouden mengen? Als ze niet alleen geconfronteerd worden met de uitkomsten van bepaald beleid, maar zich actief zouden mengen in het probleem? Barber denkt dat het de wereld niets dan goed zou doen. Hij noemt de burgemeester van Rotterdam, die het lef had om te zeggen dat er in zijn stad niemand onder een brug slaapt. Bewonderenswaardig, vindt Barber. Noodzakelijk ook. Want burgemeesters hebben zicht op hun stad en haar inwoners, niet alleen op een land in abstractie, en daarmee worden problemen en oplossingen weer behapbaar. Wat de centrale staat niet meer kan, neemt de burgervader op zich. Door de schaal te verleggen waarop wij onze problemen aan kunnen pakken ontstaat er opnieuw overzicht.

Voor een G8 die zegt te varen op denkkracht is er veel daadkracht te bespeuren. Gabriel, die zijn publiek aanspreekt op hun rationele verantwoordelijkheid. Barber, die pleit voor een herziening van het politieke bestel. De Afrikaanse Sophie Oluwole, die ik in het voorbijgaan hoor zeggen dat de Westerse analytische filosofie geenszins de standaard voor de filosofie is, en dat Afrikaanse filosofie op geen enkele manier eerst rationeel moet worden om ‘mee te tellen’ in de wereld. En Sloterdijk, die de mens ontmaskert als figuur die voortdurend de positie van de ander wil bezetten, en ontzettend hebzuchtig is, wat niet in zijn voordeel werkt.

Eigenlijk lijkt deze filosofische G8 heel veel op de G8 zoals we die kennen. In ieder geval als we het hebben over het signaleren van problemen en het vaststellen van de meest urgente kwesties om te bespreken. De manier van omgaan met die problemen is fundamenteel verschillend. Een (politiek) filosoof, en vooruit, een socioloog, zijn in staat om afstand te nemen van een probleem zoals zich dat voordoet in de wereld, en om er op rationele gronden een oordeel over te vormen, waarna ze proberen dat oordeel over te brengen aan de wereld. Zij gaan niet recht af op wat vaak het enige doel lijkt te zijn (een oplossing), maar benaderen veeleer het probleem eerst vanuit allerlei hoeken, om vervolgens na te gaan wat er op een abstracter niveau over de kwestie te zeggen is. En dat is het fijne van deze G8. Er hoeft niet direct iets: niemand is uit op het overtuigen van de ander. Wat telt is dat de bezoekers hier weggaan met het gevoel dat er nieuwe ruimte in het eigen hoofd geopend is waarbinnen het zelf nog eens goed kan nadenken over de belangrijkste problemen van onze tijd. En dan daarna, later eens ver in de toekomst, komen de denkers allicht tot een daad. Maar dat lijkt voor denken geen noodzakelijke voorwaarde.